Feest vieren als geloofsritme

geplaatst in: Dienst 4 | 2025 | 0

Op onze kalender nemen de kerkelijke feestdagen een bijzondere plaats in. Elk jaar vieren we ze op dezelfde momenten: Kerst, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren. Al eeuwenlang komen we in de kerk daarvoor samen. Dat zegt iets over hun betekenis. De feesten zijn zo vertrouwd dat we er soms nauwelijks meer bij stilstaan. Toch zijn het geen gewone vrije dagen of liturgische tradities. Elk feest verkondigt: God was er, God is er, en God zal er zijn.

Blijkbaar heeft herhalen zin. Ook de natuur kent ritme: licht en donker, zaaien en oogsten, groei en rust. Zo heeft het geloof zijn eigen ritme – momenten van stilstaan, gedenken, vieren en verwachten. De kerkelijke feesten helpen ons dat ritme te beleven: telkens opnieuw herhalen we het grote verhaal van God met mensen. Het zijn geen losse gebeurtenissen, maar momenten waarin we iets ervaren van Gods voortdurende aanwezigheid. Ze herinneren ons eraan dat de heilsgeschiedenis uitmondt in Jezus’ wederkomst.

Elena Mozhvilo

Kerst – Gods nabijheid

Wij vieren graag verjaardagen, maar voor de eerste christenen was de sterfdag belangrijker – het begin van het eeuwige leven. Pas in de vierde eeuw kwam aandacht voor Jezus’ geboorte. Dat hing samen met de dwaling van Arius, die leerde dat Jezus gewoon mens was. Na het concilie van Nicea (325 N.C.) kreeg de geboorte van Christus extra nadruk: het wonder dat de eeuwige Zoon van God op aarde kwam.

Waarom vieren we dat op 25 december? In het Romeinse Rijk was dat de dag van de ‘Onoverwinnelijke zon’. De dagen werden langer, het licht keerde terug. Voor christenen werd dat een beeld van Christus, het Licht van de wereld. Zo ontstond het kerstfeest: het feest van het licht dat de duisternis overwint.

De vuren die men toen aanstak, symboliseerden voor christenen het licht dat met Christus in de wereld kwam. Ook het groen dat men in huis haalde – takken van spar of hulst – werd symbool van Gods scheppingskracht en van het nieuwe leven dat in Jezus zichtbaar werd. Zo spreken kaarsen en groen van leven en hoop.
Kerst is meer dan een familiefeest: het is een feest van geloof. God zelf kwam naar ons toe, licht in onze duisternis. Elk jaar mogen we dat opnieuw ontvangen, juist in een tijd waarin mensen verlangen naar licht en nabijheid.

Pasen – leven sterker dan de dood

Ons Paasfeest heeft diepe wortels in de joodse traditie. In de nacht van de uittocht uit Egypte kreeg Israël de opdracht: ‘Blijf deze dag gedenken.’ Pesach betekent ‘voorbijgaan’, ‘springen’: de dood ging voorbij aan de huizen die gemerkt waren met het bloed van het lam. Dat gedenken kreeg in Jezus zijn vervulling. Tijdens de Pesachmaaltijd zei Hij: ‘Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.’ Hij werd Zelf het Lam dat geslacht werd – maar ook het Lam dat opstond uit de dood. Op wie op Hem vertrouwt, heeft de dood geen vat. De dood is overwonnen.

De gemeente van de opgestane Heer vierde Jezus’ opstanding op de eerste dag van de week, de dag van zijn verrijzenis. Later werd dat één keer per jaar extra herdacht: zo ontstond Pasen. Maar het is meer dan herdenking: het is het feest van nieuw leven. De dood is niet langer het einde, want Christus leeft. De lente die overal ontwaakt, onderstreept dat beeld. Nieuw leven breekt door, zoals Jezus uit het graf kwam. De symbolen die mensen aan Pasen hebben toegevoegd spreken van groei en vruchtbaarheid: het ei, het jonge groen, het licht van de dageraad. Alles vertelt: het leven wint.

Veertigdagentijd en kruisweg – oefenen in overgave

De tijd voor Pasen kreeg al vroeg een bijzonder karakter. Vanaf de vierde eeuw volgden christenen in Jeruzalem het bijbelverhaal letterlijk: op Palmzondag een processie van de Olijfberg naar de Opstandingskerk, op Witte Donderdag een maaltijd en wake in Getsemane, op Goede Vrijdag een tocht langs de plaatsen van Jezus’ lijden, en in de Paasnacht de doop van nieuwe gelovigen – als teken van opstaan tot nieuw leven. De rest van de wereld nam dit gebruik over.

Ook de kruisweg kreeg in veel kerken vorm: veertien staties met taferelen van het lijden, zodat gelovigen stap voor stap Jezus’ weg konden volgen. Niet om somber te worden, maar om te beseffen hoe ver Gods liefde gaat. In het volgen van zijn weg leren we vertrouwen: zelfs door het donker heen draagt Hij ons.

Stone Sculpture In Saint Joseph’s Oratory Chapel,Montreal

In de vierde eeuw bereidden nieuwe gelovigen zich in veertig dagen voor op hun doop in de Paasnacht. Veertig dagen – een tijd van beproeving, zoals bij Mozes, Elia en Jezus – werd zo symbool van inkeer. De dopelingen vastten en onderzochten hun geloof. Later werd deze periode een tijd van bezinning voor álle gelovigen, met vaste lezingen over verzoeking, lijden en trouw. Zo groeide de veertigdagentijd uit tot een oefentijd in overgave. Waar leef ik van? Waaraan ben ik gehecht? Welke ruimte geef ik aan God? Ik noem mij volgeling van Jezus, blijf ik Hem trouw tot wie ik ‘Hosanna’ roep?

Pasen – de vreugde breekt door

Dan breekt Pasen aan, het hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Wat begon met lijden en stilte, eindigt met licht en vreugde. ‘De Heer is waarlijk opgestaan!’ – dat is de kern van ons geloof.
Pasen is het feest van hoop en vertrouwen. Alles wat dood leek, mag nieuw worden. Jezus is, zoals iemand het noemde, ‘der Frühling Gottes’: Gods lente, die vooruitwijst naar de grote zomer van Gods koninkrijk. Hij is de Eerstgeborene, die ons voorgaat. Wanneer moedeloosheid dreigt, zegt Pasen: het leven wint. Het graf is leeg, de dood overwonnen.

Hemelvaart – nabij door de Geest

Veertig dagen na Pasen vieren we dat Jezus ten hemel opvoer. Dat was geen afscheid, maar juist het tegenovergestelde. Jezus verdween niet, Hij veranderde van aanwezigheid. Hij is sindsdien niet langer gebonden aan één plaats, maar nabij ons door zijn Geest.

Hemelvaart leert ons loslaten en vertrouwen. Daarin ontstaat ruimte om te geloven dat God doorgaat. Jezus’ plaats aan Gods rechterhand betekent geen afstand, maar vervulling: Hij regeert, Hij draagt, Hij blijft nabij.

Pinksteren – leven in de Geest

Tien dagen na Hemelvaart vieren we Pinksteren, het feest van de Heilige Geest. Vroeger vormden Pasen en Pinksteren één geheel: vijftig dagen van vreugde, zonder vasten. Later kreeg Pinksteren een eigen plek, toen men zag hoe de Geest het werk van Christus voortzet. Vijftig dagen (pentekoste) na Pasen zond Jezus de Heilige Geest (Hand. 2:32-33). Pinksteren werd zo de kroon op Pasen, maar Pasen bleef het stralende middelpunt van de feesten.

De aandacht voor Pinksteren maakte de parallel met het oude verbond zichtbaar. Bij de uittocht ontving Israël bij de Sinaï de Tora, toen de HEER neerdaalde in vuur en storm (Ex. 19). Precies onder die tekenen werd nu de Geest uitgestort. Niet langer op stenen platen, maar in de harten van gelovigen (2 Kor. 3:3). In het nieuwe verbond rust de Geest niet alleen op profeten, priesters en koningen, maar op iedere gelovige. Op de eerste Pinksterdag daalde de Geest neer als storm en vuur. De leerlingen werden vervuld en spraken vrijmoedig over Gods grote daden. Sindsdien is Pinksteren het feest van vernieuwing: de Geest wekt leven waar dood was, moed waar angst was, en breekt door grenzen heen en brengt mensen samen.

Alle reden voor feest: de Geest maakt geloven, liefhebben en hopen mogelijk. Alleen door Hem kunnen we Kerst, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren werkelijk als feest beleven. Pinksteren is ook het feest van roeping: ieder ontvangt gaven om te dienen. Waar de Geest werkt, ontstaat gemeenschap, geloof, hoop en liefde.

Ritme van genade

De opeenvolging van al die feesten, van Advent tot Pinksteren, vormt het hart van het kerkelijk jaar. Samen vertellen ze het grote verhaal van God met mensen. In een tijd waarin alles snel en vluchtig is, brengen de feesten rust en diepte. Ze helpen ons herinneren wie we zijn: mensen die leven van genade, uit een geschiedenis van heil. Elk feest nodigt uit om even stil te staan, dankbaar te zijn, te vieren dat God trouw blijft. De kerkelijke kalender draagt ons, van feest naar feest, van hoop naar hoop. Telkens opnieuw mogen we ontdekken: God is nabij, in het donker en in het licht.

Gespreksvragen

  1. Welk feest heeft in jouw leven de meeste betekenis gekregen, en waarom?
  2. Hoe beleef jij de veertigdagentijd of de periode tussen Pasen en Pinksteren?
  3. Op welke manier kun je in de gemeente de symbolen van de feesten (licht, brood, water, vuur) gebruiken om geloof tastbaar te maken?
  4. Wat betekent het ritme van het kerkelijk jaar voor jouw geloofsleven of je werk in de kerk?

Praktische tips voor kerkelijk werkers

  1. Gebruik het jaarlijks ritme als geloofshouvast. Verwijs in gesprekken of vieringen naar het kerkelijk jaar; het helpt mensen om hun leven te verbinden met Gods tijd.
  2. Laat symbolen spreken. Bijvoorbeeld het aansteken van een kaars waarmee je uitdrukt dankbaar te zijn dat iemands levenslicht jou mocht vergezellen, water op het voorhoofd als herinnering aan de doop – kleine tekenen die het grote verhaal vertellen.
  3. Vier samen met de buurt. Kerkelijke feesten zijn kansen om de deuren open te zetten en te delen wat ons blij maakt.
  4. Vergeet het kleine niet. Soms ligt de betekenis van een feest in één lied, één moment van stilte, één lichtje dat aangaat.
  5. Blijf herhalen. Want juist in de herhaling wordt geloof verdiept – en leren we telkens opnieuw dat God trouw is.

Kees de Groot is predikant van NGK de Brug in Nunspeet

Bronnen: Marius van Leeuwen, Van feest tot feest (Bussum 2004); Henk van der Molen, Met de Joden op weg (Meppel 1987); M. Barnard e.a. (red.), De weg van de liturgie (Zoetermeer 2001)

Dit artikel is verschenen in Dienst 4 | 2025